Verleden en heden. Goede en Slechte tijden. Verhalen, herinneringen van toen en nu, willen wij opnieuw onder uw aandacht brengen. Bent u geïnteresseerd in de geschiedenis van Oosterhout, bezoekt u dan onze website: www.hkoosterhout.nl

Alle verhalen uit de oude doos zijn letterlijk overgenomen uit oude Oosterhoutse weekbladen. Voor elk verhaal is de datum waarop het verhaal is geschreven vermeld.

Uit het Kanton van donderdag 12 februari 1970

Maak van ‘Minus’ liever eens een ‘Plus’

Dat zeg je als je het een ‘beetje beu bent’

Kunnen we het ons voorstellen? Wat? Dat een burgemeester, zo bezield van de zorg voor zijn gemeente, en bij die grote complexe zorg dan vooral die voor woningen, voor iedereen, dus vooral ook woningwetwoningen, dat ook bij de opening van de Carnavalsfeesten nog even moet laten blijken?

Neen, we kunnen erin komen, dat hij vraagt om van die naam Mienus nu eens een Plus te maken, erop zinspelend, dat een toewijzing van 43 woningwetwoningen dringend vraagt om veel en veel meer, kortom 43 Plus. En, dan kunnen we er ook inkomen, dat hij in het openbaar, temidden van al die feestneuzen, die „hoog- en nog hoger- geplaatsten in het Rijk van de Smulnarren, durft verklaren het soms echt wel eens beu te zijn; vechten tegen de bierkaai om het zo te zeggen. En dan is het duidelijk, dat het hem geen moeite kost om de sleutels van de stad voor drie dagen in andere handen te geven; in de handen van Mienus III, die ook wel zijn zorgen zal hebben - je hebt dat als Prins natuurlijk - maar dan toch wel zorgen voor en over drie dagen; zorgen misschien over wat Dolle Tina’s in hun schild voeren; of ze hem murm willen maken en tot toezeggingen willen dwingen, waarover hij toch geen zeggenschap heeft.

Zo was dat allemaal, zondagmiddag na 12.11 uur op het gemeentehuis, waar Prins Mienus III en grote plechtstatige gevolg officieel werd ontvangen als inzet van het smulnarrenrijk van drie dagen Carnaval.

Ja, aan plechtstatigheid mankeert het zeker niet; we hebben weeral kennis kunnen maken met een aanmerkelijke „verrijking” aan uiterlijk vertoon, bij diegenen, die deel uitmaken van het bestuur van dat Smulnarrenrijk. Dat is niet flauw en we stellen ons zo voor, dat het toch lekkerder zitten en gaan is in zo’n pakje van de Raad van Elf; ook keurig allemaal, maar juist zo, dat je er lekker bij uit de plooi kunt geraken; en dat is allemaal een beetje moeilijk bij het plechtstatige van jacquet en hoofddeksels, nou, het lijken soms wel zeeschepen met veel vlagvertoon.

Het zal er allemaal wel bij behoren; alleen hopen we, dat ze dat allemaal niet te ver gaan doorvoeren, want teveel plechtstatigheid kan wel eens afbreuk gaan doen aan het Carnavaleske, en zeker het Brabantse en met name het Oosterhoutse Carnavaleske.

We hebben dat ook beleefd tijdens deze zitting. Niet, dat het er niet goed ging hoor; daar zorgt desnoods de Hofnar wel voor, en die heeft dan ogenblikkelijk wel zo’n elf man mee.

Maar dat plechtstatige heeft toch wel iets afgeremd van wat we in vorige jaren veel meer beleefden: het spitse, het ad-rem-zijn, de improvisatie, die we verwachten van de Prins. Natuurlijk, het is een ontzaglijk zware opgave en we gunnen hem de pret van harte, maar we hopen toch, dat hij in de toekomst juist niet eens alles precies op papier zet en minutieus voorbereidt; en dat hij het niet geheel of zo goed als geheel voorleest met alle nadelen van dodelijkheid van dien.

Het is een enorme opgave Prins te zijn, het te willen zijn zelfs al, maar wie het dan zijn wilt zal er ook naar moeten streven - bij alles, wat hij toch al te doen en te verwerken krijgt - om los, carnavalesk, spits, to the point, spontaan en telkens weer, vlot in te haken op de situaties van ’t moment, juist zonder voorbereid of tenminste „precies” voorbereid te zijn.

Wat hij te zeggen had was allemaal best, en scherp ook vaak, maar het vuur, het elan, en dan met name het carnavaleske élan ontbrak eraan; en zo werd het daar in het gemeentehuis allemaal een beetje vlak, voelbaar; en daardoor misschien iets rommeliger tegelijk dan voorgaande jaren.

Het is natuurlijk, nogmaals, gemakkelijk praten, of schrijven. Is ook zo, maar het Smullnarrenvolk verwacht van een Prins niet alleen, ’sterker: niet „vooral”, dat hij het mooi zegt, maar dat hij het raak zegt; niet zozeer of vooral, dat hij er prachtig uitziet, maar dat hij er eens en liefst dikwijls UIT-schiet, uit het statige, in het carnavaleske.

Prins Mienus, het Smulnarrenvolk, verwacht veel, heel veel van U. Probeer het waar te maken en.... blijf dan graag nog een jaar of vijftien.

Toch carnaval

Carnaval is voorbij; het heeft weinig zin daarover nu nog veel na te kaarten, nog eens te proberen opnieuw te willen proeven van de ondefinieerbare leutfacetten van dat voor buitenstaanders onbegrijpelijke feest; zo onbegrijpelijk, dat we een bewoner van één van de Zuid-Hollandse eilanden tot één van zijn kinderen hoorde zeggen: Naar Carnaval, gij, zoon; maar gij bent toch niet katholiek. Nu vraag ik je.

Het Smulnarren-carnaval is geslaagd en in dat geslaagd zijn een best afscheid voor Leo Wellens. Hij heeft het zo bewust gewild en we moeten daar begrip en respect voor hebben. Het is, dachten we, ook wel wijs. Hij kan het ook alle maal niet blijven doen en dan is het beter op tijd de zaken over te dragen, wanneer alles nog zo goed loopt en stevig gegrondvest is, dan wanneer er misschien verschijnselen van moeheid zich zouden openbaren. De fundering is in vijftien jaren uitstekend gebleken en nu overdragen is overdragen onder zeer prettige omstandigheden.

Dat zijn werken gewaardeerd wordt, het kan niet duidelijker getekend worden dan enerzijds in de velerlei vormen, waarin de deelnemers aan de (uitstekende) optocht Leo erbij betrokken hebben, tot reikend in de wolken en de receptie in Central, waarbij men afscheid van hem kwam nemen.... als Smulnarrenschepper.

Er was die zondagmiddag enorm veel volk op de been; ook van buiten Oosterhout. Het was ook de moeite waard, ondanks de niet zo milde temperatuur. Die laatste, met het winters barre, dat zich dinsdag nog even meldde, heeft ook Kinderkopkescarnaval niet te goed gedaan. Maar dat zijn jaarlijkse risico’s, in winters seizoen vooral en altijd nog liep het goed af. Dank zij een puike organisatie.

Dank zij - we hebben ze telkens bezig gezien, een aantal „ambtenaren”, werkers van Gemeentelijke Overheidsdiensten, die zich volledig hebben ingezet voor een aantal voorzieningen, zonder welke een aantal zaken fout zouden lopen.

Dank zij De Smulnarren en het Smulnarrenvolk van Oosterhout, dat Carnaval heef leren vieren... „op zijn. Oosterhouts”, en dan zit het wel goed.

En dat geldt voor GEHEEL Oosterhout en vooral ook voor het kerkdorp Den Hout, dat erin geslaagd is in enkele jaren een eigen Carnaval op te bouwen, een Kluiveduikersrijk, dat in zeer vele gemeenschappen van deze omvang zijn gelijke niet heeft. Ze kunnen er daar wat van, ook van een optocht maken en het verwondert dan ook niet, dat deze optocht jaarlijks ook meer niet-Houtse belangstellenden trekt. (MVBI)