Zeker sinds de 15 eeuw, maar ook daarvoor, zijn de bewoners van de Groote Waard, het Bergsche Veld, de Biesbosch, net als alle andere bewoners van de Lage Landen, afhankelijk geweest van de grillen van de zeestromen, stormen en springvloeden van het opkomende water.

Het zoute water uit de Noordzee en het zoete water van de grote rivierendelta, die gezamenlijk een estuarium vormen, waar zout en zoet water vermengd worden en waar het getijdeverschil waarneembaar is, waren honderden jaren en zijn nog steeds, voor de bewoners in de Biesbosch, een gevecht tegen de waterwolf.

Nederland kent een veelvoud van dijken met hun eigen historie. Zoals, lang geleden, de aangelegde wierdijken en daarna de veendijken met coupures en schotbalken voor de doorgangen naar de drooggelegde poldertjes. Ook kennen we nu o.a. de zeedijken, rivierdijken, winter(ban)dijken, zomerdijken en ringdijken. Allemaal met hun specifieke functie, bouwtechnieken en zelfs wettelijk vastgelegde afmetingen en normen.

Al deze voorzieningen waren en zijn ter bescherming van de aanwezige bewoners, met hun eigen historische, regionale, menselijke activiteiten, gericht op economisch gewin of levensonderhoud: de visserij, jacht- en kooiwezen, biezen, de riet- en griendteelt en uiteindelijk de akker- en weidebouw. Alle Biesbosch bewoners moesten toen voor een eigen onderkomen zorgen of gebruik maken van de aanwezige mogelijkheden en omstandigheden.

Waren er voor de Tweede Wereldoorlog nog tientallen beroepsvissers, kooikers op eendenkooien, riet- en biezen snijders op velden en hakkers in de grienden; na de afsluiting van het Haringvliet (1970) verdween niet alleen de 2 meter dynamiek van het water, maar ook de meeste historische beroepen en culturen uit de Biesbosch regio.

Voor de eendenjacht woonden en schoten de jagers ook vanuit hun met riet overdekte schuttersbootje, maar de meeste (wilde) eenden werden gevangen, tijdens het jachtseizoen, in de afgelegen eendenkooien. Daar was en is de kooivijver met de vangarmen ingericht, om met de te voeren tamme lokeenden, en een nieuwsgierig makend kooikerhondje, de wilde eenden zo ver te krijgen, dat ze de vangpijp in zwommen, om daar vervolgens de pijp uit te gaan…! Generaties kooimannen met hun familie, woonden vaak in het kooihuis, ver weg van de bewoonde wereld, om de rust in de kooi te garanderen.

De rietsnijders en griendwerkers in de Biesbosch daarentegen woonden met hun gezin in de omliggende plaatsen en moesten vaak onder barre winterse omstandigheden het riet snijden en de grienden hakken. Daarvoor vertrokken ze met hoog water per boot van huis naar locaties in de Biesbosch, die bij laag water waren drooggevallen. Daar verbleven ze meestal een aantal dagen en moesten zij ter plekke zorgen voor een onderkomen. Daarvoor gebruikte ze het materiaal wat voorhanden was: riet en het hout van de knotwilg. Zij bouwden een schrankkeet; een onderkomen met een open vuur, om te koken, om warm en droog te worden en om de nacht door te brengen. De keet werd vaak geplaatst op een keetheuvel, of ringdijkje, hoog genoeg om bij vloed droge voeten te houden. Stond de keet bij springvloed te laag, dan was nachtelijk bezoek van vooral ratten zeer ongewenst.

Om het voorgaande verhaal, tijdens een rondleiding in de Biesbosch visueel te maken, hebben vrijwilligers in de Biesbosch in de buurt van de eendenkooi op de Hofmansplaat, een schrankkeet gebouwd, die te bezoeken is tijdens een vaar/wandel zwerftocht vanuit Drimmelen.