Man, oh man, wat kan onze taal toch prachtig zijn. Zit een echtpaar in de trein. ‘Zij gaat voor-, hij achter-uit, achter dezelfde ruit.’ En deze: ‘De gescheiden vrouw voelt zich als een tram in de remise.’ Of dit: ‘Of ik naar de hemel ga? Geen idee. Maar als ik dood ben weet ik wat ik doe: Honderd jaar slapen want ik ben moe.’ En dit, over een gecastreerde kater: ‘Zijn kruis is licht en toch zo zwaar.’
Al deze teksten zijn van de schrijver Willem Wilmink, de man die ook schreef voor (onder vele anderen) Herman van Veen en Don Quichoking. En om veel van die liedjes te kunnen horen uit de instrumenten en kelen van het kwartet Stanza is een buitenkansje.
Voor de vierde keer waren ze donderdag in de Pannehoef. Al eerder met liedjes van Wilmink, daarna brachten ze Bram Vermeulen weer tot leven. De derde keer kwamen ze met een eigen programma, ‘Grens’ genaamd. Nu dus weer Wilmink en met zijn werk zouden ze nog wel zestien optredens kunnen vullen. Maar de mannen zijn niet meer ‘piep’ en het is gewoon hun hobby. Maar laat hen gewoon min-stens twee keer per jaar terug komen, al was het maar om de taal, om hun muzikaliteit en om hun bas-sist, die de boel op een vaak verrassende manier heerlijk inkleurt.
Om u enig idee te geven hieronder een van Wilminks liedjes, dat onder het tamelijk vergrijsde publiek voor heel veel herkenning zorgde.
evr
(foto Casper van Aggelen)
Refrein
O, waar is die heerlijke geur van weleer
Je ziet dan wel mensen, maar je ruikt ze niet meer
Op zaterdagavonden werd in een teil
De schare gereinigd met boender en dweil
De teil zat vol water, maar 't water ging schuil
Onder schubben van zeep en van andermans vuil
Waar leger van luizen verdwaasd in verdronk
Je was blij dat je leefde en blij dat je stonk
Bij ons werd het badwater tweemaal ververst:
Eenmaal met Pasen en eenmaal met kerst
Je zat in een teil in het grijzige floers
Van zeep en smeer van je zusters en broers
Als iemand zich dan in de straten begaf
Dan zag je hem stinken: de damp sloeg eraf
We hadden een handdoek voor 't hele gezin
Je droogde je af en dan snoot je erin
En als dan die handdoek niet natter meer kon
Dan werd ie gewoon weer gedroogd in de zon
En ook door die keiharde handdoek mijn kind
Stonken wij alleen een uur in de wind
De school, en ‘t kantoor, de fabriek en de bank
't was alles vervuld van een stevige stank
Wij veegden ons gat altijd af met een krant
Wij kenden slechts drukinkt als deodorant
Je had nooit een ziekte, behalve een zweer
Want elke bacil viel bewusteloos neer
Bacteriën kwamen er nooit in ons huis
Die schrikten wij af met de geur uit ons kruis
Geen virus al was het ook handig en snel
Kwam ooit door de korstige laag op ons fel
Dus wie er de dood onder ogen moest zien
Die was nooit veel jonger dan honderd en tien.